Translation of "abash" into Dutch

beschamen, in verlegenheid brengen, van zijn stuk brengen are the top translations of "abash" into Dutch.

abash verb grammar

(transitive) To make ashamed; to embarrass; to destroy the self-possession of; to confuse or confound, as by exciting suddenly a consciousness of guilt, mistake, or inferiority; to put to shame; to disconcert; to discomfit. [..]

+ Add

English-Dutch dictionary

  • beschamen

    verb

    to make ashamed, to embarrass

    For they have become ashamed, for they have become abashed, who are seeking calamity for me.

    Want zij zijn beschaamd geworden, want zij zijn schaamrood geworden, die rampspoed voor mij zoeken.

  • in verlegenheid brengen

    to make ashamed, to embarrass

  • van zijn stuk brengen

    to make ashamed, to embarrass

  • Less frequent translations

    • ontrieven
    • overbluffen
    • overdonderen
    • beschaamd maken
    • ongelegen komen
    • agiteren
    • dooreenhalen
    • ophitsen
    • opruien
    • opstoken
    • opwinden
    • verduisteren
    • vertroebelen
    • verwarren
    • verwisselen
    • schudden
    • in verwarring brengen
    • verlegen maken
  • Show algorithmically generated translations

Automatic translations of "abash" into Dutch

  • Glosbe

    Glosbe Translate
  • Google

    Google Translate

Phrases similar to "abash" with translations into Dutch

  • bang · bedeesd · benepen · beschaamd · beschroomd · beteuterd · bevangen · blo · in verlegenheid · onthutst · op zijn neus kijkend · schroomvallig · schuw · timide · verlegen · verward · vreesachtig
  • benardheid · hinder · knelpunt · moeilijk parket · penarie · schaamte · schande · verlegenheid · verwarring
  • bang · bedeesd · benepen · beschaamd · beschroomd · beteuterd · bevangen · blo · in verlegenheid · onthutst · op zijn neus kijkend · schroomvallig · schuw · timide · verlegen · verward · vreesachtig
Add

Translations of "abash" into Dutch in sentences, translation memory