Translation of "affect" into Dutch
beïnvloeden, aangrijpen, aantasten are the top translations of "affect" into Dutch.
(transitive) To influence or alter. [..]
-
beïnvloeden
verbto influence or alter
Your representation of Ian, or lack thereof, will not affect your grade for this course.
Je vertegenwoordiging van Ian, of een gebrek daaraan, zal je cijfer voor dit vak niet beïnvloeden.
-
aangrijpen
verbI had no idea that you would be so affected.
Ik wist niet dat het je zo zou aangrijpen.
-
aantasten
verbto infect or harm [..]
The settlement cannot affect the validity of a Community patent.
De schikking kan de geldigheid van een Gemeenschapsoctrooi niet aantasten.
-
Less frequent translations
- ontroeren
- veinzen
- aandoen
- treffen
- betreffen
- emotioneren
- zich aanstellen
- raken
- aangaan
- aanbelangen
- inwerken
- bewegen
- invloed hebben op
- werken op
- z. aanstellen
- doen
- maken
- uitwerken
- bedrijven
- werken
- optreden
- roeren
- uitrichten
- voorwenden
- ageren
- handelen
- verleggen
- overbrengen
- opereren
- verplaatsen
- agiteren
- opruien
- opstoken
- ophitsen
- verroeren
- opwinden
- overplaatsen
- aanmaken
- schudden
- uitbrengen
- omzetten
- uitvoeren
- bezig zijn
- effect sorteren
- te werk gaan
- uitwerking hebben
- affect
- affecteren
- fingeren
-
Show algorithmically generated translations
Automatic translations of "affect" into Dutch
-
Glosbe Translate
-
Google Translate
Translations with alternative spelling
"Affect" in English - Dutch dictionary
Currently, we have no translations for Affect in the dictionary, maybe you can add one? Make sure to check automatic translation, translation memory or indirect translations.
Phrases similar to "affect" with translations into Dutch
-
een zwak hebben voor · houden van
-
aanboren · aankomen · aanraken · beroeren · raken · toucheren
-
gevoel
-
aanstellerij · affectatie · gemaaktheid · maniertje · onnatuurlijkheid
-
affectief · emotioneel
-
aandoenlijk · aangrijpend · emotioneel · ontroeren · ontroerend · rakend · roerend · treffend
-
aandoening · aanhankelijkheid · affect · affectie · beminnelijkheid · emotie · gemoedsbeweging · genegenheid · goodwill · invloed · liefde · min · neiging · richting · stemming · strekking · stroming · tendens · tendentie · toegenegenheid · trend · verkleefdheid · welwillendheid
-
behept met · lijdend aan