Translation of "affection" into Dutch

genegenheid, liefde, affectie are the top translations of "affection" into Dutch.

affection verb noun grammar

The act of affecting or acting upon; the state of being affected. [..]

+ Add

English-Dutch dictionary

  • genegenheid

    noun

    The baby transferred its affection to its new mother.

    De baby draagt zijn genegenheid over aan haar nieuwe moeder.

  • liefde

    noun feminine

    Your affection for a father you never met is touching but misplaced.

    Roerend, maar je vader was je liefde niet waard.

  • affectie

    noun

    I'm in need of affection.

    Ik heb affectie nodig.

  • Less frequent translations

    • aandoening
    • emotie
    • affect
    • aanhankelijkheid
    • min
    • toegenegenheid
    • richting
    • gemoedsbeweging
    • neiging
    • welwillendheid
    • tendentie
    • goodwill
    • stroming
    • trend
    • stemming
    • tendens
    • strekking
    • invloed
    • verkleefdheid
    • beminnelijkheid
  • Show algorithmically generated translations

Automatic translations of "affection" into Dutch

  • Glosbe

    Glosbe Translate
  • Google

    Google Translate

Translations with alternative spelling

Affection
+ Add

"Affection" in English - Dutch dictionary

Currently, we have no translations for Affection in the dictionary, maybe you can add one? Make sure to check automatic translation, translation memory or indirect translations.

Images with "affection"

Phrases similar to "affection" with translations into Dutch

  • een zwak hebben voor · houden van
  • aanboren · aankomen · aanraken · beroeren · raken · toucheren
  • aanbelangen · aandoen · aangaan · aangrijpen · aanmaken · aantasten · affect · affecteren · ageren · agiteren · bedrijven · betreffen · bewegen · bezig zijn · beïnvloeden · doen · effect sorteren · emotioneren · fingeren · handelen · invloed hebben op · inwerken · maken · omzetten · ontroeren · opereren · ophitsen · opruien · opstoken · optreden · opwinden · overbrengen · overplaatsen · raken · roeren · schudden · te werk gaan · treffen · uitbrengen · uitrichten · uitvoeren · uitwerken · uitwerking hebben · veinzen · verleggen · verplaatsen · verroeren · voorwenden · werken · werken op · z. aanstellen · zich aanstellen
  • gevoel
  • aanstellerij · affectatie · gemaaktheid · maniertje · onnatuurlijkheid
  • affectief · emotioneel
  • aandoenlijk · aangrijpend · emotioneel · ontroeren · ontroerend · rakend · roerend · treffend
  • behept met · lijdend aan
Add

Translations of "affection" into Dutch in sentences, translation memory